Verjaring in burgerlijke zaken: termijnen, stuiting en schorsing
Welke termijn geldt, vanaf wanneer hij loopt, wat hem stuit of schorst en hoe een ingebrekestelling door de advocaat eenmalig een nieuwe termijn doet lopen.
Bijgewerkt op 5 oktober 2026
VerjaringstermijnenDe regel in het kort
- De verjaring blijft geregeld door het oud Burgerlijk Wetboek (art. 2219 tot 2283): boek 10 "Verjaring" is niet aangenomen.
- Algemene termijn voor persoonlijke rechtsvorderingen: 10 jaar. Buitencontractuele aansprakelijkheid: 5 jaar vanaf de kennis, hoogstens 20 jaar vanaf het feit (art. 2262bis).
- Kortere termijnen: 5 jaar voor periodieke betalingen (art. 2277), 1 jaar onder meer voor koopwaren verkocht aan particulieren (art. 2272), 1 jaar na het einde van een arbeidsovereenkomst (wet van 3 juli 1978, art. 15).
- De termijn loopt vanaf de dag na de begindatum, van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste. Gelden twee grenzen, dan geldt de vroegste.
- Een dagvaarding, een bevel tot betalen, een beslag of de erkenning door de schuldenaar stuit de verjaring. Een ingebrekestelling van de advocaat volgens art. 2244, § 2 doet één keer een nieuwe termijn van één jaar lopen.
- Een verjaringstermijn die op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag verstrijkt, wordt niet verlengd: handel vóór die dag.
De tool verjaringstermijnen berekent de laatste dag volgens de aard van de schuldvordering, met het gevolg van een ingebrekestelling.
Waar de verjaring in 2026 geregeld is
Boek 10 "Verjaring" is niet aangenomen; boek 1 en boek 5 (sinds 1 januari 2023) raken niet aan art. 2244, 2262bis, 2276bis of 2277 oud BW. Wel van belang:
- Art. 5.215 BW: een gewone ingebrekestelling stuit noch schorst de verjaring. De ingebrekestelling van art. 2244, § 2, oud BW, onder strikte voorwaarden, heeft dat gevolg wel.
- Art. 5.163 BW: een stuiting tegen één hoofdelijke schuldenaar geldt tegen allen.
- Boek 6 (sinds 1 januari 2025): de vorderingen blijven onder art. 2262bis; wordt schade uit de niet-uitvoering van een overeenkomst buitencontractueel ingekleed, dan kan de medecontractant zich op de verjaringsregels van de overeenkomst beroepen (art. 6.3, § 1).
- Boek 7 (bijzondere overeenkomsten, wet van 22 juli 2026, Belgisch Staatsblad van 23 september 2026): nieuwe termijnen voor koop, huur en diensten, opheffing van art. 1648 en 1649quater oud BW en schrapping van de huurprijzen uit art. 2277, voor overeenkomsten gesloten vanaf 1 september 2027. Oudere overeenkomsten blijven onder de oude regels. Al sinds 3 oktober 2026 verlengt de keuze voor herstel van een consumptiegoed de garantietermijn eenmaal met een jaar (art. 1649quater, § 1); de vordering verjaart nog altijd een jaar na de ontdekking.
De termijnen die de tool berekent
| Schuldvordering | Termijn en vertrekpunt | Artikel |
|---|---|---|
| Persoonlijke rechtsvordering, contractuele schuldvordering | 10 jaar vanaf de opeisbaarheid | art. 2262bis, § 1, eerste lid, oud BW |
| Buitencontractuele aansprakelijkheid | 5 jaar vanaf de dag na de kennis van de schade (of de verzwaring ervan) en van de aansprakelijke persoon; hoogstens 20 jaar vanaf de dag na het schadeverwekkend feit | art. 2262bis, § 1, tweede en derde lid |
| Periodieke betalingen: huur, achterstallig onderhoudsgeld, interest, facturen voor energie en elektronische communicatie | 5 jaar vanaf elke vervaldag | art. 2277 |
| Koopwaren verkocht aan particulieren die geen koopman zijn, schoolkosten, ereloon van de gerechtsdeurwaarder | 1 jaar | art. 2272 |
| Advocaten: ereloon en beroepsaansprakelijkheid | 5 jaar na het einde van de opdracht | art. 2276bis |
| Zorgverstrekkers tegen de patiënt | 2 jaar vanaf het einde van de maand van de zorg | art. 2277bis |
| Consumentenkoop, overeenkomsten gesloten sinds 1 juni 2022 | 1 jaar vanaf de ontdekking van het gebrek | art. 1649quater |
| Arbeidsovereenkomst | 1 jaar na het einde, of 5 jaar na het feit, nooit later dan 1 jaar na het einde | wet van 3 juli 1978, art. 15 |
| Tenuitvoerlegging van een vonnis | 10 jaar | art. 2262bis, § 1, eerste lid |
Buiten de tool vallen onder meer de zakelijke rechtsvorderingen (30 jaar, art. 2262), voorbehouden schade (20 jaar, art. 2262bis, § 2), deskundigen, verborgen gebreken en productaansprakelijkheid (art. 6.52 BW).
Het vertrekpunt en de laatste dag
De termijn loopt vanaf de dag na de begindatum en eindigt de dag vóór dezelfde datum in het laatste jaar: met dag 1 op 16 maart 2026 eindigt een termijn van tien jaar op 15 maart 2036. De verjaring wordt in dagen geteld, niet in uren, en is verkregen wanneer de laatste dag verstreken is (art. 2260 en 2261 oud BW).
Het vertrekpunt zelf (opeisbaarheid, kennis van de schade, einde van de opdracht) is een feitenkwestie: de tool bepaalt het niet. De verlengingen van art. 50, tweede lid, Ger.W. (gerechtelijke vakantie) en art. 55 Ger.W. (partij in het buitenland) gelden niet: het zijn verjaringstermijnen, geen proceduretermijnen. Voor proceduretermijnen, zie de gids over de berekening van proceduretermijnen en de tool proceduretermijnen.
Weekend en feestdag. Art. 1.7, § 4, BW verschuift enkel de vervaldag van een termijn om een prestatie te verrichten of een mededeling te doen. De memorie van toelichting bij boek 1 zegt uitdrukkelijk dat een verjaringstermijn die op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag verstrijkt, niet wordt verlengd tot de volgende werkdag (DOC 55 1805/001, p. 18); art. 2260 en 2261 oud BW blijven gelden. In het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht is art. 1.7 helemaal niet van toepassing (wet van 26 december 2022). De tool toont de laatste dag dus zonder verschuiving.
Stuiting
- Gerechtelijke akten (art. 2244, § 1): een dagvaarding, een bevel tot betalen, een aanmaning tot betalen (art. 1394/21 Ger.W.) of een beslag. Een dagvaarding stuit tot de eindbeslissing.
- Onbevoegde rechter (art. 2246): de dagvaarding stuit toch. Wordt de vordering afgewezen, dan is de stuiting als niet gebeurd (art. 2247).
- Taal: een akte die nietig is wegens de taalwetgeving, stuit toch (wet van 15 juni 1935, art. 40, tweede lid).
- Erkenning door de schuldenaar (art. 2248).
De ingebrekestelling door de advocaat (art. 2244, § 2)
Sinds 2013 stuit ook een ingebrekestelling de verjaring, onder strikte voorwaarden:
- verzonden door de advocaat van de schuldeiser, een gerechtsdeurwaarder of een vakbondsafgevaardigde (art. 728, § 3, Ger.W.), nooit door een incassobureau (Grondwettelijk Hof, arrest 181/2014);
- bij aangetekende brief met ontvangstbewijs, aan een schuldenaar met woonplaats of zetel in België;
- op een adres gecontroleerd aan de hand van een administratief document van minder dan een maand oud;
- met de acht wettelijke vermeldingen, waaronder het stuitende gevolg en de handtekening van de auteur.
Gevolg: de stuiting werkt vanaf de verzending en doet een nieuwe termijn van één jaar lopen, die nooit vóór de oorspronkelijke termijn eindigt. Is de wettelijke termijn korter dan een jaar, dan is de verlenging gelijk aan die termijn. Ze geldt slechts één keer. Een ingebrekestelling die na het verstrijken van de termijn wordt verzonden, stuit niets.
Schorsing en bijzondere regels
- Schorsing. De verjaring loopt niet tegen minderjarigen (art. 2252), behalve de korte verjaringen (art. 2278), niet tussen echtgenoten (art. 2253; niet tussen wettelijk samenwonenden) en niet tijdens collaboratieve onderhandelingen (art. 1741 Ger.W.).
- Vermoeden van betaling. Bij de verjaringen van één jaar (art. 2272) kan de schuldeiser de schuldenaar de eed opdragen (art. 2275). Een afgesloten rekening, een schriftelijke erkenning of een dagvaarding doet de korte verjaring ophouden te lopen (art. 2274).
- Misdrijf. Een rechtsvordering die ook op een misdrijf steunt, zoals onbetaald loon, verjaart niet vóór de strafvordering (art. 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafprocesrecht). De tool waarschuwt daarvoor maar berekent de strafrechtelijke verjaring niet.
- Ambtshalve. Sinds 1 oktober 2024 kan de rechter de verjaring ambtshalve opwerpen bij een geldschuld die een onderneming van een consument vordert (art. 2223, tweede lid).
De tool berekent het gevolg van een stuiting door een gerechtelijke akte of van een schorsing niet.
Rekenvoorbeelden
Contractuele schuldvordering (10 jaar)
Opeisbaar op zondag 15 maart 2026. Dag 1 is maandag 16 maart 2026; de termijn eindigt op de dag vóór 16 maart 2036: zaterdag 15 maart 2036. Die zaterdag verschuift niet naar maandag 17 maart: de laatste werkdag om te handelen is vrijdag 14 maart 2036.
Buitencontractuele schade (5 en 20 jaar)
Schadeverwekkend feit op 10 februari 2024; schade en aansprakelijke bekend op zaterdag 20 juni 2026. De termijn van 5 jaar eindigt op vrijdag 20 juni 2031; de absolute termijn van 20 jaar op 10 februari 2044. De vroegste datum geldt: 20 juni 2031.
Arbeidsovereenkomst
Overeenkomst beëindigd op woensdag 30 september 2026, vordering over een feit van zaterdag 15 januari 2022. Eén jaar na het einde: donderdag 30 september 2027. Vijf jaar na het feit: vrijdag 15 januari 2027. De vroegste datum geldt: vrijdag 15 januari 2027.
Ingebrekestelling op tijd en te laat
Een factuur voor energie, opeisbaar op woensdag 10 november 2021, verjaart na 5 jaar op dinsdag 10 november 2026 (art. 2277).
- Ingebrekestelling volgens art. 2244, § 2, verzonden op donderdag 15 oktober 2026: nieuwe laatste dag vrijdag 15 oktober 2027.
- Verzonden op maandag 16 november 2026, na het verstrijken: geen stuiting, de schuldvordering is verjaard sinds 11 november 2026.
Ingebrekestelling te vroeg
Een contractuele schuldvordering, opeisbaar op 4 mei 2020, verjaart op zaterdag 4 mei 2030, zonder verschuiving. Een ingebrekestelling op 5 oktober 2026 zou een jaar lopen tot 5 oktober 2027, vroeger dan de oorspronkelijke termijn: de laatste dag blijft 4 mei 2030. De ingebrekestelling levert hier geen extra tijd op, terwijl art. 2244, § 2 maar één keer werkt: ze verlengt pas als ze in het laatste jaar van de termijn wordt verzonden.
Herneem elk geval met uw eigen data in de tool verjaringstermijnen.
Valkuilen en open punten
- Weekend: een verjaringstermijn verschuift niet; plan de stuitende akte vóór de laatste werkdag van de termijn.
- Boek 7: overeenkomsten gesloten vanaf 1 september 2027 krijgen nieuwe termijnen; de tool berekent die nog niet.
- Strafzaken: de strafrechtelijke verjaring valt buiten de tool.
De tool ondersteunt de advocaat, die verantwoordelijk blijft voor de berekening en voor de controle van de toepasselijke regel.
Bronnen
- Oud Burgerlijk Wetboek, art. 1648, 1649quater, 2223, 2244, 2246 tot 2248, 2252, 2253, 2260, 2261, 2262, 2262bis, 2272, 2274, 2275, 2276bis, 2277, 2277bis en 2278 (gecontroleerd op 5 oktober 2026).
- Burgerlijk Wetboek, art. 1.7, 5.163, 5.215, 6.3 en 6.52 (gecontroleerd op 5 oktober 2026).
- Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wet van 22 juli 2026 (Belgisch Staatsblad van 23 september 2026); Kamerdocument 56/0743 (gecontroleerd op 5 oktober 2026).
- Boek 1, memorie van toelichting, DOC 55 1805/001, p. 16 tot 19; wet van 26 december 2022 (art. 1.7 in arbeids- en socialezekerheidsrecht) (gecontroleerd op 5 oktober 2026).
- Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, art. 15 (gecontroleerd op 4 oktober 2026).
- Gerechtelijk Wetboek, art. 728, § 3, 1394/21 en 1741; wet van 15 juni 1935, art. 40, tweede lid (gecontroleerd op 4 oktober 2026).
- Voorafgaande titel van het Wetboek van strafprocesrecht, art. 26 (gecontroleerd op 4 oktober 2026).
- Grondwettelijk Hof, arrest 181/2014 en arrest 75/2026 van 18 juni 2026 (gecontroleerd op 4 oktober 2026).
Hulpmiddel. De advocaat blijft verantwoordelijk voor de berekening en voor de controle van de toepasselijke regel.