Proceskosten in België: wie betaalt wat en hoeveel
Wat de verliezende partij betaalt, welke bedragen in 2026 gelden en hoe u de cliënt vooraf informeert over de kosten van het proces en over uw erelonen.
Bijgewerkt op 5 oktober 2026
Kostenraming voor de cliëntDe regel in het kort
- De partij die in het ongelijk wordt gesteld, draagt de gerechtskosten (art. 1017 Ger.W.): de rechtsplegingsvergoeding van de tegenpartij, het rolrecht, de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en de kosten van de gerechtelijke akten (art. 1018, 2°). De btw op de deurwaarderskosten valt niet ten laste van de verliezer als de winnende partij ze aftrekt (Grondwettelijk Hof, arrest 88/2018).
- Elke partij betaalt haar eigen advocaat. De winnende partij ontvangt de rechtsplegingsvergoeding, die de rechter bepaalt tussen een minimum en een maximum (art. 1022 Ger.W.).
- Bij de inschrijving op de rol betaalt de eiser enkel de bijdrage van € 26; het rolrecht (€ 50 tot € 650) is pas verschuldigd bij de eindbeslissing.
De kostenraming voor de cliënt past deze regels toe en zet ze om in drie scenario's: zaak gewonnen, verloren of minnelijk geschikt.
De rechtsplegingsvergoeding
De vergoeding volgt uit art. 1022 Ger.W. en het koninklijk besluit van 26 oktober 2007. Het bedrag hangt af van de waarde van de vordering: het bedrag van de gedinginleidende akte of van de laatste conclusie.
De tabel van 1 maart 2025
| Waarde van de vordering | Minimum | Basis | Maximum |
|---|---|---|---|
| tot € 250 | € 117,73 | € 235,47 | € 470,93 |
| € 250,01 tot € 750 | € 196,22 | € 313,95 | € 784,88 |
| € 750,01 tot € 2.500 | € 313,95 | € 627,91 | € 1.569,77 |
| € 2.500,01 tot € 5.000 | € 588,66 | € 1.020,35 | € 2.354,65 |
| € 5.000,01 tot € 10.000 | € 784,88 | € 1.412,79 | € 3.139,53 |
| € 10.000,01 tot € 20.000 | € 981,10 | € 1.726,74 | € 3.924,42 |
| € 20.000,01 tot € 40.000 | € 1.569,77 | € 3.139,53 | € 6.279,07 |
| € 40.000,01 tot € 60.000 | € 1.569,77 | € 3.924,42 | € 7.848,84 |
| € 60.000,01 tot € 100.000 | € 1.569,77 | € 4.709,30 | € 9.418,60 |
| € 100.000,01 tot € 250.000 | € 1.569,77 | € 7.848,84 | € 15.697,67 |
| € 250.000,01 tot € 500.000 | € 1.569,77 | € 10.988,37 | € 21.976,74 |
| € 500.000,01 tot € 1.000.000 | € 1.569,77 | € 15.697,67 | € 31.395,35 |
| boven € 1.000.000 | € 1.569,77 | € 23.546,51 | € 47.093,02 |
| niet in geld waardeerbaar (art. 3) | € 117,73 | € 1.883,72 | € 15.697,67 |
Elk bedrag is het referentiebedrag van het besluit × 166,05 (index van februari 2025) ÷ 105,78 (index van maart 2007), afgerond op de cent (art. 8, vervangen door het koninklijk besluit van 16 mei 2024). Vroegere coëfficiënten: 1,0 vanaf 1 januari 2008, 1,1 vanaf 1 maart 2011, 1,2 vanaf 1 juni 2016, 1,3 vanaf 1 juni 2021, 1,4 vanaf 1 april 2022, 1,5 vanaf 1 november 2022. Een nieuwe indexering volgt pas als de index minstens 10 punten afwijkt; met 172,93 in september 2026 is dat nog niet zo.
Marge van de rechter en bijzondere regels
- Marge. Binnen minimum en maximum kan de rechter afwijken van de basis wegens de financiële draagkracht van de verliezer (enkel om te verminderen), de complexiteit, contractuele vergoedingen of een kennelijk onredelijke situatie (art. 1022 Ger.W.).
- Minimum. Het minimum geldt als de verliezer juridische tweedelijnsbijstand geniet, behalve in een kennelijk onredelijke situatie, en in de summiere rechtspleging om betaling te bevelen (art. 1340 tot 1343 Ger.W.; KB art. 5). De procedure tot het verkrijgen van rechtsbijstand geeft geen vergoeding (KB art. 7).
- Onderhoudsuitkering. De vordering is één annuïteit waard (KB art. 2): € 800 per maand is € 9.600 waard.
- Meerdere winnende partijen. Samen ten hoogste het dubbele van de hoogste maximale vergoeding, verdeeld door de rechter.
- Sociale zekerheid. Het barema van art. 4 geldt enkel voor de procedures van art. 579 en 1017, tweede lid, Ger.W. (arbeidsrechtbank boven € 2.500: € 296,12, € 343,21 en € 390,31). Andere arbeidsgeschillen en strafzaken volgen de algemene tabel.
De tool rechtsplegingsvergoeding toont de schijf, de drie bedragen en de toepasselijke regel.
Rolrecht en bijdrage aan het begrotingsfonds
Rolrecht (Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, art. 269/1 en volgende, sinds 1 februari 2019): € 50 voor het vredegerecht en de politierechtbank; € 165 voor de rechtbank van eerste aanleg, de familierechtbank en de ondernemingsrechtbank; € 400 voor het hof van beroep; € 650 voor het Hof van Cassatie.
- Verschuldigd bij de eindbeslissing, ten laste van de verliezer of verdeeld. Bij laattijdige betaling: boete van de helft, minstens € 25 en hoogstens € 325.
- Doorhaling of weglating van de rol: de partij die de zaak inschreef, betaalt; een herinschrijving kost een nieuw rolrecht.
- Vrijgesteld (art. 279/1): onder meer sociale zaken voor de arbeidsgerechten, strafzaken, fiscale geschillen, insolventie en gerechtelijke reorganisatie. Geen nieuw rolrecht voor een spoedeisende vordering in een bestaand familiedossier (art. 1253ter/4, § 2, Ger.W.).
- Onder juridische bijstand wordt het rolrecht in debet ingeschreven. Het hoger beroep wordt pas vastgesteld als de appellant de rolrechten van eerste aanleg te zijnen laste heeft betaald, behalve bij hoogdringendheid of overmacht.
- Vóór 1 februari 2019 werd het rolrecht bij de inschrijving betaald, tegen een forfaitair bedrag per rechtscollege (algemene rol, in dezelfde volgorde): € 35, € 82, € 186 en € 325 tot 7 juli 2012, daarna € 40, € 100, € 210 en € 375, ook van 1 september 2017 tot 31 januari 2019. Voor vorderingen ingesteld van 1 juni 2015 tot 31 augustus 2017 was het per eiser verschuldigd, volgens de waarde van de vordering (wet van 28 april 2015; Grondwettelijk Hof, arrest 13/2017).
Bijdrage (wet van 19 maart 2017, art. 4 en 5): € 26 sinds 3 maart 2025 (€ 24 sinds 1 oktober 2022, € 22 sinds 1 december 2021, € 20 sinds 1 mei 2017), één keer per gedinginleidende akte, ook in hoger beroep en bij meerdere eisers (Grondwettelijk Hof, arrest 22/2020). Zonder betaling wordt de zaak niet ingeschreven. Vrijgesteld: de eiser met juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand, de vorderingen inzake arbeidsongeval of beroepsziekte, de vorderingen door of tegen een sociaal verzekerde (art. 579, 6°, 580, 581 en 582, 1° en 2°, Ger.W.) en de collectieve schuldenregeling (art. 1675/4 Ger.W.), ook in hoger beroep van de schuldenaar. De tool rolrecht berekent beide bedragen.
De kosten van de gerechtsdeurwaarder in 2026
Het tarief (koninklijk besluit van 30 november 1976, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 mei 2024, geïndexeerd op 1 januari) kent drie klassen (art. 6): klasse A, vordering tot € 2.105,03: € 131,56; klasse B, tot € 5.262,57: € 184,19; klasse C, daarboven of bij onbepaalde waarde: € 263,13. De vorderingen van art. 591, 25°, Ger.W. (energie, water, telecom en, sinds 1 oktober 2024, zorgverstrekkers en scholen) vallen altijd onder klasse A, met een inningsrecht van hoogstens € 105,25; zaken voor de familierechtbank (art. 572bis) onder klasse B.
Daarbij komen € 18,95 verplaatsing per akte ter plaatse (art. 15, 2°), € 52,63 dossierkosten eenmaal per invorderingsdossier (art. 8/1) en 21 % btw. Elk exploot en proces-verbaal draagt bovendien het algemeen vast registratierecht van € 50 (Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, art. 11, derde lid, en 19, eerste lid, 1°, sinds 1 juli 2013), zonder btw: de schuldeiser schiet het voor en verhaalt het als gerechtskosten (art. 1019 Ger.W.). Het geldt niet voor een ingebrekestellingsbrief; de akten van de procedure voor onbetwiste geldschulden zijn vrijgesteld (art. 162, 52°). De tool kosten van de gerechtsdeurwaarder raamt elke akte van 1 oktober 2024 tot 31 december 2026, post per post.
De cliënt informeren
Het Hof van Justitie heeft op 12 januari 2023 (C-395/21) herinnerd aan de informatie die een cliënt-consument over de erelonen moet krijgen. De kostenraming vermeldt daarom de volledige berekeningswijze (uren en uurtarief, forfaitair ereloon, resultaatsereloon, btw) en het saldo voor de cliënt als de zaak gewonnen, verloren of minnelijk geschikt wordt, met intrest tegen de wettelijke rentevoet (4,50 % in 2026). Bij een schikking draagt de cliënt-eiser het rolrecht van de doorgehaalde zaak. Wat de cliënt voorschiet en op de verliezer verhaalt, telt niet mee in het saldo.
Rekenvoorbeelden
Onbetaalde factuur van € 1.500 voor de vrederechter
Forfaitair ereloon € 600 excl. btw, verwachte duur 6 maanden, raming op 5 oktober 2026.
- Rechtsplegingsvergoeding: basis € 627,91 (minimum € 313,95, maximum € 1.569,77).
- Rolrecht € 50, bijdrage € 26.
- Dagvaarding, klasse A: € 131,56 + € 18,95 + € 52,63 = € 203,14, met btw en registratierecht € 295,80 (zie de mogelijke vrijstelling van art. 162, 13°, hieronder). Betekening van het vonnis: € 232,12.
Saldo voor de cliënt: € 1.435,66 als de zaak gewonnen wordt (€ 1.500 + € 33,75 intrest + € 627,91 − € 600 − € 126 btw); − € 1.725,71 als ze verloren wordt; − € 197,80 bij een schikking aan 60 %, omdat de cliënt dan zijn erelonen, het rolrecht, de bijdrage en de dagvaarding zelf draagt.
Vordering van € 12.500 voor de rechtbank van eerste aanleg
Uw cliënt is eiser. Erelonen: 10 uur aan € 150 plus 21 % btw (€ 1.500 + € 315); duur 12 maanden.
- Rechtsplegingsvergoeding: € 981,10, € 1.726,74 en € 3.924,42. Rolrecht € 165, bijdrage € 26.
- Dagvaarding, klasse C: € 263,13 + € 18,95 + € 52,63 = € 334,71, + € 70,29 btw + € 50 = € 455,00. Betekening van het vonnis: € 391,32.
- Intrest: 4,50 % op € 12.500 gedurende 12 maanden: € 562,50.
| Scenario | Berekening | Saldo |
|---|---|---|
| Gewonnen | € 12.500 + € 562,50 + € 1.726,74 − € 1.500 − € 315 | € 12.974,24 |
| Verloren | − € 1.726,74 − € 1.500 − € 315 − € 165 − € 26 − € 455 | − € 4.187,74 |
| Schikking 50 % | € 6.250 − € 1.500 − € 315 − € 165 − € 26 − € 455 | € 3.789,00 |
In het gewonnen scenario worden de voorgeschoten € 26, € 455 en € 391,32 op de verliezer verhaald. Herneem ze met uw gegevens in de kostenraming voor de cliënt.
Valkuilen en open punten
- Raming, geen afrekening. De werkelijke kosten hangen af van het verloop van de zaak; de tool dekt één aanleg.
- Oudere zaken. De rechtsplegingsvergoeding en het rolrecht zijn gedekt vanaf 1 januari 2008, de deurwaardersakten vanaf 1 oktober 2024. Vóór 1 februari 2019 dekt de tool rolrecht enkel burgerlijke zaken voor de gewone rechtbanken; de vrijstellingen van die periode werden niet nagegaan.
- Bijdrage in cassatie. De tool past ze ook daar toe, op grond van art. 4, § 2 (elke gedinginleidende akte die op de rol wordt ingeschreven); geen bron bevestigt dat uitdrukkelijk.
- Registratierecht voor de vrederechter. Een akte in een procedure voor de vrederechter waarin de hoofdvordering € 2.000 niet overschrijdt, kan vrijgesteld zijn (art. 162, 13°); de huidige tekst van die bepaling werd niet gelezen.
- Uitvoering en intrest. Zie de gidsen over loonbeslag en loonoverdracht en over verwijlintresten, en de intrestberekening.
De tools ondersteunen de advocaat, die verantwoordelijk blijft voor de berekening en voor de controle van de toepasselijke regel.
Bronnen
- Gerechtelijk Wetboek, art. 1017, 1018, 2°, 1022, 1253ter/4, § 2, 1340 tot 1343 en 1675/4 (gecontroleerd op 4 oktober 2026).
- Koninklijk besluit van 26 oktober 2007, art. 2 tot 5, 7, 8 en 10, art. 8 vervangen door het koninklijk besluit van 16 mei 2024; geïndexeerde tabel van 1 maart 2025 (pdf, Frans) (gecontroleerd op 5 oktober 2026).
- Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, art. 11, 19, 162, 13° en 52°, 269/1 en 279/1; Gerechtelijk Wetboek, art. 1019; Europees e-Justitieportaal, kosten in België (Frans) (gecontroleerd op 5 oktober 2026); tarieven van de hoven en rechtbanken (gecontroleerd op 4 oktober 2026).
- Wet van 19 maart 2017, art. 4 en 5; Grondwettelijk Hof, arrest 22/2020 en arrest 86/2020 (gecontroleerd op 5 oktober 2026).
- Rolrecht vóór 1 februari 2019: programmawet van 22 juni 2012, wet van 28 april 2015 en Grondwettelijk Hof, arrest 13/2017 (gecontroleerd op 5 oktober 2026).
- Koninklijk besluit van 30 november 1976, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 mei 2024, art. 5, 6, 8, 8/1 en 15; tarief 2026 (pdf, Frans) en Tarif checker van de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders (gecontroleerd op 5 oktober 2026).
- Grondwettelijk Hof, arrest 88/2018; wet van 5 mei 1865, art. 2, § 1; Hof van Justitie van de Europese Unie, 12 januari 2023, C-395/21 (gecontroleerd op 4 oktober 2026).
Hulpmiddel. De advocaat blijft verantwoordelijk voor de berekening en voor de controle van de toepasselijke regel.
Tools voor deze procedure
- Kostenraming voor de cliëntRechtsplegingsvergoeding, rolrecht, gerechtsdeurwaarder, interesten en erelonen per scenario, in een document voor uw cliënt.
- RechtsplegingsvergoedingMinimum-, basis- en maximumbedragen per schijf, met de toepasselijke indexering.
- RolrechtRolrecht en bijdrage aan het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand, per rechtscollege en aanleg.
- Kosten van de gerechtsdeurwaarderDagvaarding, betekening, beslag en inningsrecht volgens het tarief 2026, post per post, btw inbegrepen.